Tagarchief: Chinese Indonesiërs

Bad Saarow 2

Net wilde ik nog enkele typefouten uit het persbericht over de conferentie in Bad Saarow weg halen. En wat staat daar? Ieder land mag twee bestuursleden afvaardigen. Voor Nederland waren dat: de president (pa Hong) en secretaris (Tan Hay Siang).
Hmm hoe zit het dan met het album van tante Ietje?
Waarschijnlijk zijn er meer bestuursleden mee gegaan. Tante Ietje en haar man Koo Liong Bing staan in ieder geval op de foto’s. Nu nog even kijken of Tan Hay Siang erop staat. Gelukkig heeft hij een nogal herkenbaar hoofd :-). Als hij er niet op staat, heeft Koo Liong Bing hem wellicht vervangen.

Betsy Thung 3

Nee, op de andere foto’s staat Betsy toch niet. Alleen op de foto die Tjoe Lan stuurde. De deskundigen zijn eensgezind. De vrouw in de shanghai dress op de ander foto’s heeft een “veel te fijn” gezicht.

De mening over Betsy is vrij eensgezind, zo herinneren ‘kinderen van’ zich van hun vaders:

Keng Que:
“Zij (Betsy Thung) kwam in de 50er jaren van de vorige eeuw wel eens bij ons thuis op Matraman Jatinegara/ voorheen Meester Cornelis  – zij woonde toen op Kramat.  Mijn vader vond haar opdringerig en eigenwijs (hoort bij het feminisme) en sprak nogal denigrerend over haar (heeft alle aktes behalve de huwelijksakte.  Maar mijn geheugen (het was allemaal 60 jaar geleden) laat mij  hier misschien in de steek.”

Tjoe Lan voegt daaraan toe:
“Inderdaad heeft Keng gelijk. Zij was helemaal niet  geliefd bij de studenten. Zij las mijn moeder de les over opvoeden van kinderen (dat mijn moeder het verkeerd deed). In die tijd spraken de studenten inderdaad erover,  dat ze veel diploma’s had behalve de huwelijksacte.”

Betsy Thung 2

Er heerst enige onduidelijkheid in de gelederen wie nou precies Betsy Thung is op de foto’s. Blijft staan dat ze in dezelfde periode als pa Hong in Chung Hwa Hui/Leiden studeerde.

Hier een foto van Tjoe Lan, waarop Betsy 100% zeker staat:

Betsy Thung

Betsy Thung staat helemaal in het midden met bril. Even verder uitzoeken of zij het ook is op die andere foto’s.

Betsy Thung

Keng Que wees mij erop dat op verschillende foto’s van pa Hong uit zijn studententijd in Leiden Betsy Thung voorkomt. Zie de pagina “Losse foto’s” nr 15 en 21. Zij is de vrouw in de zwarte Shanghai jurk. Haar verhaal staat in het digitaal Vrouwenlexicon. Ken Que wijst ook nog op een artikel van Maya Liem hierover op de site van het CIHC, waar zij schrijft over Chinees-Indonesiche feministes. Een onbekende hoek voor mij die zich toch haar leven bezig heeft gehouden met vrouwenemancipatie.

Hier het verhaal over het leven van Betsy Thung van de hand van Kees Kuiken:

THUNG, Sin Nio (1902-1996), in Nederland vooral bekend als Betsy Thung (geb. Batavia, Nederlands-Indië 22-5-1902 – gest. Eindhoven 5-1-1996), econome, arts, feministe en politica. Dochter van Thung Bouw Kiat (1863-in of na 1916), politicus en plantage-administrateur, en Tan Toan Nio (1883-vóór 1924). Betsy Thung bleef ongehuwd.

Betsy Thung (spreek uit: Theung) werd geboren als zevende in een gezin van acht kinderen. Haar Chinese voornaam betekent ‘nieuwe bruid’. Thungs familie was ooit vanuit Hua’an in de Chinese provincie Fujian naar Java geëmigreerd en behoorde tot de elite van goed geassimileerde ‘oudkomers’ (‘peranakan’ in Batavia. Haar vader was in 1909-1914 gemeenteraadslid van Batavia en in 1915-1916 administrateur (bedrijfsleider) van een plantage (Adresboek).

Studie en engagement

Toen Thung na de dood van haar ouders min of meer financieel onafhankelijk was, haalde ze eerst een boekhouddiploma en in 1924 de onderwijzersakte aan de Hollands-Chinese School in Batavia. Op 15 oktober 1924 begon ze haar studie aan de Economische Hogeschool te Rotterdam, waar ook Willemien van der Goot studeerde. Nadat ze in 1926 de Herinneringen van dr. Aletta H. Jacobs cadeau had gekregen, nam ze onmiddellijk contact met de schrijfster op en werd ze lid van de Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap (VVGS). Ook was ze actief in de Chinese studentenvereniging Chung Hua Hui Nederland.

In 1929 reisde Thung voor de bruiloft van haar zuster Eng Nio terug naar Batavia. Een jaar later stichtte ze in het chique Welgelegen (bij Batavia) het Eerste Chinese Meisjesinternaat, een instituut dat de weerstand van Chinese families tegen studerende dochters moest wegnemen. Teruggekeerd in Nederland slaagde ze in 1932 voor haar doctoraalexamen economie in Rotterdam en haar propedeuse geneeskunde aan de Gemeente Universiteit in Amsterdam. Na haar artsexamen (1938) keerde ze opnieuw terug naar Batavia. Ze organiseerde er informele etentjes (‘hutspotclubs’) voor vrouwen met verschillende achtergronden en sloot zich aan bij de in 1908 door Charlotte Jacobs opgerichte Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (VVV). In 1940 deed Thung intensief mee aan de acties voor actief vrouwenkiesrecht van onder meer de VVV en de in 1938 opgerichte Chinese Vrouwenbond: ze haalde naar eigen zeggen ‘op mijn dooie eentje duizenden handtekeningen op’.

Hoewel Thung vanaf 1939 in Batavia een privé-artsenpraktijk moet hebben gehad, vermeldt het officiële Indische Adresboek in 1941 alleen een ‘mej. B. Thung, gedipl. vakonderwijzeres’ aan de Huishoudschool te Soekaboemi. Ze gaf daar enige jaren lessen gezondheidsleer en kinderverzorging. Thung was tevens medisch adviseur voor het progressieve Maleistalige vrouwentijdschrift Maandblad Istri (Chan, 57, 61). Nadat alle Europese artsen van Batavia in 1943 door de Japanse bezetter waren geïnterneerd, opende ze daar het San Te Ie Juen, een privékliniek voor de betere standen waar ze naar eigen zeggen ‘arts, hoofdverpleegster en psychiater tegelijk’ was.

In 1947 werd Thung schoolarts. Voor het Instituut voor Volksvoeding mat en woog ze schoolkinderen in Batavia (Luyken, 33). Een jaar later werd ze actief in de Chinese Unie (PT), de voorloper van de in 1950 opgerichte Democratische Chinese Partij van Indonesië (PDTI). Van 1949 tot 1951 zat ze als eerste vrouw in de gemeenteraad van Jakarta.

Ook als econome zette Thung zich in voor het inmiddels onafhankelijke Indonesië. In 1952 reisde ze met de Indonesische delegatie naar de Internationale Economische Conferentie in Moskou. In 1955 en 1965 bezocht ze China. De staatsgreep van 1965 maakte een einde aan haar publieke activiteiten. In 1968 eiste het militaire bewind dat Chinezen een Indonesische naam aannamen. Ze weigerde en vertrok naar Nederland. Hier werd ze in 1972 als ‘spijtoptant’ genaturaliseerd. In Eindhoven werkte ze nog enige jaren als instellings- en verpleeghuisarts, tot ze in 1974 recht kreeg op AOW. In 1978 reisde Thung opnieuw naar China, dat ze in interviews als het Beloofde Land voor de vrouwenemancipatie voorstelde. Op 29 april 1983 werd ze op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau als ‘een van de grote voorvrouwen van de Eerste Emancipatiegolf’. Haar verdiensten werden vergeleken met die van de eerder onderscheiden Willemien van der Goot. Sin Nio Thung overleed in januari 1996, bijna 94 jaar oud.

Reputatie

De reputatie van Thung Sin Nio in de geschiedschrijving van de Nederlandse vrouwenbeweging berust vooral op interviews. Daarin deed ze bepaald niet bescheiden over haar afkomst en haar eigen rol in de vrouwenbeweging in Nederlands-Indië. Toen ze in 1935 in Utrecht logeerde bij haar nichtje Rika Tio, werd ze door Tio’s huisgenote omschreven als ‘een moederlijke vrouw die soms preekte als een dominee’ (Blussé, 160). De historicus Leo Suryadinata nam haar op in zijn overzicht van ‘prominente’ Indonesisch-Chinezen. In een recente geschiedenis van haar stamstreek in China staat ze onder het kopje ‘streekgenoten overzee’ te boek als ‘sociaal activiste’ (Zhangzhou, 2786). Thung liet zich in de interviews en in haar eigen aantekeningen kennen als een kritiekloos bewonderaar van Mao en het communisme. De felle kritiek van Renate Rubinstein en anderen in de Nederlandse pers op ‘political pilgrims’ zoals zij, ging langs haar heen.

Het artikel met verwijzingen (klikken op de groene tekst).

gelijkgesteld en Nl onderdaan

……….In 1910 bepaalde de Wet op het Nederlandse onderdaanschap dat personen die in Nederlands-Indië waren geboren uit daar gevestigde ouders, maar geen Nederlanders waren volgends de Wet op het Nederlanderschap van 1892, Nederlandse onderdanen waren. De inheemse bevolking van Nederlands-Indië en een groot deel van de met hen gelijkgestelden werden hiermee “Nederlands onderdaan niet-Nederlander”. Om een dam op te werpen tegen bemoeienissen van de Chinese regering, werd bij het consulaire verdrag in 1911 vastgelegd dat in Nederlands-Indië de Nederlandse wetgeving prevaleerde. China zag hiermee formeel af van steun aan de Chinezen in Nederlands-Indië. Nederland bleef de baas op eigen gebied. China stond er wel op dat Nederlandse onderdanen buiten Nederlands-Indië de vrijheid kregen hun Nederlands onderdaanschap op te geven en te kiezen voor de Chinese nationaliteit. Voor de Chinezen in Nederlands-Indië betekende het Nederlandse onderdaanschap geen wijziging van hun rechtspositie. Die rechtspositie werd namelijk niet bepaald door het onderdaanschap maar door het Regeringsreglement. Dat reglement, dat beschouwd werd als de grondwet van Nederlands-Indië, bepaalde dat Chinezen in Nederlands-Indië gelijkgesteld waren aan Inlanders. Als Nederlands onderdaan waren zij na 1910 aan dezelfde rechten en plichten onderworpen die voor hen als vreemdeling voor 1910 golden. Het Nederlands onderdaanschap werd door hen dan ook niet als een verbetering maar eerder als een verslechtering beschouwd. In Nederlands-Indië konden zij niet meer rekenen op bescherming en daadwerkelijke steun van China. Hun was geen keuze geboden voor aanvaarding of verwerping van het Nederlandse onderdaanschap waardoor dit onderdaanschap werd gevoeld als een gedwongen naturalisatie waaraan geen rechten waren verbonden. Ook de acties die Chinezen tussen 1914 en 1920 voerden voor verwerping van het Nederlandse onderdaanschap, en daarmee voor een terugkeer naar de status van vreemdeling met de Chineze nationalieeit, bleven zonder resultaat.

Bron: Nationaal Archief Magazin 2009/2, Patricia Tjiook-Liem
Naschrift: Jurist Patricia Tjiook-Liem schreef het proefschrift “De rechtspositie der Chinezen in Nederlands-Indië 1848-1942. Wetgevingsbeleid tussen beginsel en belang” Leiden University Press, 2009.

interessante dissertatie over Chinese Indonesiërs

Van dit boek vond ik een link op de CHIC website

Chong Wu Ling: Democratisation and ethnic minorities: Chinese Indonesians in post-Suharto Indonesia’. A PhD dissertation.

This study examines the complex situation of ethnic Chinese Indonesians in post-Suharto Indonesia. Due to the absence of an effective, genuinely reformist political force, predatory politico-business interests nurtured under the New Order managed to capture the new political and economic regimes in post-Suharto Indonesia. Consequently, corruption and internal mismanagement continue to plague the bureaucracy in the country. As targets of extortion and corruption by bureaucratic officials and youth/crime organisations, the Chinese are not merely passive bystanders of the democratisation process in Indonesia nor powerless victims of corrupt practices. By focusing on the important interconnected aspects of the role Chinese play in post-Suharto Indonesia, via business, politics and civil society, I argue, through a combination of Anthony Giddens?s structure-agency theory and Pierre Bourdieu?s notion of habitus and field, that although the Chinese are constrained by various conditions, they also have played an active role in shaping these conditions.

Het boek is via deze link te downladen